Oefenvragen

Deze vragen in de vorm van meerkeuzevragen zijn bedoeld om te oefenen met de stof en om te controleren of men een aantal onderwerpen uit de stof beheerst. Zij zijn verdeeld naar hoofdstuk. De antwoorden zijn terug te vinden in de tekst, er is geen aparte lijst met vindplaatsen van de antwoorden.

Let op! De hier opgenomen meerkeuzevragen zijn slechts voorbeelden van vragen die op een tentamen gesteld zouden kunnen worden. Zij dekken niet de volledige stof van een hoofdstuk.



Ga terug

HOOFDSTUK 1 - Recht in het algemeen

1.

I Het positieve recht bevat alle in Nederland geldende rechtsregels.
II De belangrijkste rechtsbronnen zijn de jurisprudentie en de gewoonte.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

I Onder de term recht verstaan we het geheel van geldende geschreven en ongeschreven rechtsregels.
II De rechtspraak (of jurisprudentie) heeft als rechtsbron niet dezelfde gelding als het wettelijke recht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

Wat is geen rechtsbron?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

I Het gewoonterecht vormt geen rechtsregels.
II Een rechtsregel kan alleen functioneren met behulp van een handhavingsmechanisme.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

Als op last van de burgemeester een vuilverwerkingsbedrijf wordt gesloten, is dat een voorbeeld van:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

I De hond die de voorbijganger bijt, pleegt geen strafbaar feit.
II Indien een besloten vennootschap zich schuldig maakt aan belastingfraude kan daarvoor alleen de verantwoordelijke directie worden gestraft.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

Welk wetsartikel bevat aanvullend recht?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

Welk geval leent zich er niet voor om via de rechter te worden gehandhaafd?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

I Een belastingaanslag is een beschikking.
II Een beschikking kan niet als inhoud een algemeen verbindend voorschrift hebben.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

I Met de term formeel privaatrecht wordt het burgerlijk procesrecht bedoeld.
II Het Burgerlijk Wetboek behoort tot het materiële recht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

De bevoegdheid van de docent van een particuliere school om een cijfer te geven voor een wettelijk erkend diploma is een voorbeeld van:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

Als de Staat der Nederlanden een ambassadegebouw verhuurt aan de Republiek Frankrijk is sprake van:







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 2 - Recht en staat

1.

De benoeming van een voogd op grond van art. 1:295 BW is een voorbeeld van:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

Welke stelling is juist?
De Tweede Kamer:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

De bevoegdheid van de gemeente om toeristenbelasting te heffen op grond van de Gemeentewet is een voorbeeld van:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

Zuivere toepassing van de leer van de Trias Politica zou meebrengen dat:
I de jurisprudentie geen rechtsbron is.
II de rechter nooit een wetgevende functie heeft.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

Welke stelling is juist?
Een uitspraak van de belastingkamer van het Gerechtshof is geen:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

Tot de klassieke grondrechten behoort:
I de vrijheid van meningsuiting.
II het recht op medische verzorging.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

I De huurder van een bouwvallige gemeentewoning kan zich tegenover de rechter met succes beroepen op art. 22 lid 2 Grondwet.
II Klassieke grondrechten worden door de rechter gehandhaafd.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

Welke stelling is juist?
Het overheidsorgaan dat een krant verbiedt om over een bepaald onderwerp te gaan publiceren, handelt in strijd met:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

Bepalingen die volgens art. 94 Grondwet een ieder verbinden, zijn te vinden in:
I het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;
II grondrechten uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

I De democratische rechtsstaat gaat niet samen met een monarchie.
II De belastingdienst is een voorbeeld van functionele decentralisatie.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

I Bij de uitvoering van de Kieswet door een gemeente is sprake van medebewind.
II Bij de heffing van hondenbelasting door een gemeente is in beginsel sprake van autonomie.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

I De democratische rechtsstaat heeft niet altijd een parlementair stelsel.
II De kern van het parlementair stelsel is het recht van initiatief.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

In Nederland is een rechter niet ondergeschikt aan een:
I overheidsorgaan.
II andere rechter.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

Wat is juist? Een voorbeeld van functionele decentralisatie is de bestuurlijke bevoegdheid van:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.
Een belangrijk kenmerk van de democratische rechtsstaat is:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

Volgens Montesquieu:
I dient de rechter gecorrigeerd te kunnen worden door de regering.
II moeten leden van de rechterlijke macht door de overheid kunnen worden afgezet.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

I De kabinetsformatie verloopt volledig volgens regels van ongeschreven recht.
II Bij een geslaagde kabinetsformatie moet de nieuwe regering kunnen steunen op een meerderheid in de Eerste Kamer.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


18.

I Het recht van enquête komt beide Kamers toe, het recht van interpellatie alleen aan de Tweede Kamer.
II In het parlementair stelsel staat de vertrouwensregel centraal.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


19.

I De onafhankelijkheid van de rechterlijk macht is vooral van belang omdat de rechter soms de rechtmatigheid van daden van wetgeving of van bestuur moet beoordelen.
II Alleen in heel bijzondere gevallen is de rechter bevoegd tot wetgeving.







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 3 - De wetgeving

1.

Welke stelling is juist?
In het Staatsblad moeten worden gepubliceerd:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

Art. 7 lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap bepaalt:
`Met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.'
Deze zin bevat een voorbeeld van:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

Welke stelling is juist?
AMvB's:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

Welke stelling is juist?
Een wet in formele zin:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

Welke stelling is onjuist?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

Voor de uitoefening van het spontaan vernietigingsrecht door de Kroon is ten minste vereist dat:
I de Kroon eerst de Raad van State om advies heeft gevraagd.
II het te vernietigen besluit in strijd is met het recht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

I Het actief en passief kiesrecht geldt voor alle meerderjarige inwoners van Nederland.
II Nederland is een directe democratie op basis van een monarchie.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

I Het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet betreft alle wetten in formele zin.
II Op grond van art. 94 Grondwet moet de rechter algemeen verbindende voorschriften buiten toepassing laten als deze in strijd is met een eenieder verbindende verdragsbepaling.
Beide stellingen zijn juist






Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

Een koninklijk besluit:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

I De regeling van de kabinetsformatie is grotendeels in de Grondwet vastgelegd.
II Het parlementair stelsel is ontwikkeld op basis van de ministeriële verantwoordelijkheid.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

Of een verdragsbepaling een ieder verbindt, wordt beslist door:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

Als een Nederlandse wet in formele zin in strijd is met een een ieder verbindende verdragsbepaling, dan dient:
I de Nederlandse rechter deze wet buiten toepassing te laten.
II door de Nederlandse rechter deze wet toch te worden toegepast totdat de Nederlandse wetgever de wet heeft gewijzigd.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

Wat hoort niet in het rijtje?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

Een door de Eerste Kamer aangenomen wetsvoorstel waarbij de vennootschapsbelasting wordt gewijzigd, moet worden ondertekend door:
I de minister van Financiën.
II de minister van Veiligheid en Justitie







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

I Voor elk koninklijk besluit is advies van de Raad van State nodig.
II De Raad van State hoeft niet te worden gehoord over het ontwerp van een Amvb.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

I Voor de verbindendheid van een provinciale verordening is bekendmaking niet vereist.
II De bevoegdheid van een orgaan om wetten te maken, moet berusten op attributie of op (sub)delegatie.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

Welke stelling is juist? De rechter verklaart een gemeenteverordening die in strijd is met de wet:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


18.

Alleen de Tweede Kamer heeft het recht van:
II Initiatief.
II amendement.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


19.

I In het legisme is de wet de enige rechtsbron.
II De codificatiegedachte is een rechtstreeks voortvloeisel van het legisme.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


20.

Wat is juist? Een AMvB:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


21.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit waarin de vereisten zijn vastgelegd waaraan een arbodienst moet voldoen, is een AMvb. Het is daarmee tevens:







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 4 - De rechtspraak

1.

Welke stelling is juist?
In de rechtbank worden:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

Wat is juist?
De rechter die een wettekst onduidelijk vindt, mag:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

Piet, die in Amsterdam woont, heeft een loonvordering van 3000 euro op zijn werkgever, een BV in Rotterdam.
Wat is juist?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

Cassatieberoep kan betrekking hebben op:
I de motivering van de lagere rechter.
II het toepassen door de lagere rechter van rechtsregels.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

I Een bestendig gebruik leidt altijd tot een regel van gewoonterecht.
II Het gewoonterecht speelt voornamelijk een rol in het staatsrecht en het strafrecht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

I Tegen een vonnis van kantonrechter staat niet altijd hoger beroep open.
II De gerechtshoven zijn intern verdeeld in een strafsector en een sector civiel.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

In een advertentie in de krant wordt iemand van wie de woonplaats niet bekend is opgeroepen om te worden gehoord terzake van een wijziging van zijn toeziende voogdij.
Wat is juist?
Deze zaak:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

Wat hoort niet in het rijtje?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

I Aan de Nederlandse rechtspraak wordt soms ook deelgenomen door personen die niet tot de rechterlijke macht behoren.
II Gerechtshoven behandelen zaken in hoger beroep.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

II n cassatie kan de Hoge Raad zonodig de feiten van de zaak beoordelen.
II Als de Hoge Raad een beroep verwerpt wijst hij de zaak terug naar een lagere rechter.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

I De rechter mag op eigen gezag afwijken van de eis van openbaarheid van de zitting.
II De onpartijdigheid van de rechter komt onder meer tot uitdrukking in zijn wettelijke rechtspositie.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

I Het openbaar ministerie bezit het vervolgingsmonopolie.
II Het openbaar ministerie maakt geen deel uit van de rechterlijke macht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

I De kantonrechter oordeelt over geschillen betreffende besluiten in de zin van Algemene wet bestuursrecht.
II De rechtbank is hoger beroepsinstantie voor strafzaken die bij de kantonrechter hebben gediend.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

I De rechter gebruikt de redenering naar analogie als er een leemte is in de wet.
II De rechtsvinding is volledig heteronoom als de rechter zich door zijn eigen oordeel laat leiden.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

I Als hoofdregel geldt dat men een zaak in zijn volle omvang aan de Hoge Raad ter beoordeling kan voorleggen.
II De Hoge Raad kan beslissingen van lagere rechters vernietigen wegens verzuim van vormen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

In bestuurszaken is in de regel in eerste aanleg bevoegd:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

I De regel dat beide partijen moeten worden gehoord geldt alleen in het burgerlijk proces.
II De verplichting voor de rechter om zijn uitspraak te motiveren geldt niet in alle gevallen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


18.

De kantonrechter is in eerste instantie bevoegd kennis te nemen van een vordering ongeacht de hoogte daarvan indien die vordering voortvloeit uit een:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


19.

Wat is juist? Het College van procureurs-generaal:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


20.

Cassatie in het belang der wet:
I wordt ingesteld door het gerechtshof.
II kan door iedere advocaat worden aangetekend.







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 5 - Het bestuur

1.

Als een student een voldoende krijgt voor een tentamen is sprake van:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

Welk van onderstaande alternatieven bevat niet een bestuursrechtelijke sanctie van een bestuursorgaan tegen een burger?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

Welke besluiten zijn niet besluiten van algemene strekking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

Welke stelling is onjuist?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

Er is sprake van het afgeven van een beschikking door een bestuursorgaan in het geval van:
I afwijzing van de aanvraag van een NV tot het verlenen van een bouwvergunning.
II het besluit een stichting een subsidie te weigeren.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

I Een beschikking van een bestuursorgaan is gericht op een individueel geval.
II Belanghebbende bij een beschikking is uitsluitend degene tot wie de beschikking is gericht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

Wat is geen beschikking in de zin van de Awb?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

I Ingeval men het niet eens is met een beschikking is in het bestuursrecht hoofdregel het rechtstreeks beroep instellen bij de rechter en uitzondering het bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat de beschikking gaf.
II Kenmerkend voor administratief beroep is dat het wordt ingesteld bij een hoger bestuursorgaan.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

I Bij mandaat is de aan het bestuursorgaan toegekende bevoegdheid om beschikkingen te maken overgedragen aan een ander bestuursorgaan.
II Bij attributie van beschikkingsbevoegdheid is in de wet aan een bestuursorgaan de bevoegdheid toegekend om beschikkingen te geven.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

I De toetsing van een beschikking door de bestuursrechter is in de Algemene wet bestuursrecht beperkt tot toetsing aan geschreven rechtsregels en aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
II Hoger beroep bij het gerechtshof is in bestuurszaken beperkt tot belastinggeschillen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

I De Centrale Raad van Beroep is belast met de rechtspraak in hoger beroep in zaken betreffende de sociale zekerheid en in ambtenarenzaken.
II De Nationale ombudsman is alleen bevoegd in geschillen over beschikkingen van lagere overheden.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

I Als in een wet tegen een beschikking van B en W beroep openstaat op Gedeputeerde Staten is sprake van administratief beroep.
II Bij rechtmatigheidstoetsing van een beschikking kan zowel aan de wet als aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden getoetst.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

In de praktijk van het belastingrecht worden regelmatig zogeheten fiscale compromissen gesloten. Als de inspecteur der belastingen met een belastingplichtige een fiscaal compromis sluit, is sprake van een:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

Wat is geen beschikking?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

I De overheid kan uit onrechtmatige daad aansprakelijk worden gesteld wegens onrechtmatige wetgeving.
II Bij de beoordeling van feitelijk onrechtmatig overheidshandelen kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol spelen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

Wat is juist?
Beleidsregels kunnen worden uitgevaardigd door:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

Wat is juist?
Discretionaire bevoegdheid houdt in dat een bestuursorgaan:







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 6 - Burgerlijk recht - kernbegrippen

1.

Welke stelling is juist?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

Wat is geen rechtsfeit?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

I Een recht van vruchtgebruik kan zowel op zaken als op vermogensrechten rusten.
II Het auteursrecht van een boek is een zakelijk recht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

In welk geval ontstaat geen verbintenis?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

Het vruchtgebruik van een aandeel in een BV is een:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

Degene die na kwijtschelding van zijn schuld alsnog betaalt:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

Rechtsfeiten kunnen betreffen een:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

I Bronnen van een verbintenis kunnen zijn: een overeenkomst, een rechtmatige daad en een testament.
II Verbintenissen die voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid steunen op de wet.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

I Geestelijk gestoorden zijn handelingsonbekwaam.
II Handelingsonbekwamen kunnen wel feitelijke, maar geen rechtshandelingen verrichten.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

I Een onrechtmatige daad is een rechtsfeit, terwijl een rechtmatige daad een rechtshandeling is.
II Een testament is een eenzijdige rechtshandeling, terwijl een huurovereenkomst een meerzijdige rechtshandeling is.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

I Absolute vermogensrechten bevatten altijd ten minste één verbintenis.
II Kenmerkend voor een natuurlijke verbintenis is dat hij uit ongeschreven recht ontstaat.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

I Zowel de overeenkomst als de eenzijdige rechtshandeling leiden tot het ontstaan van ten minste één verbintenis.
II Een bijzondere manier van tenietgaan van verbintenissen is verrekening.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

A verkoopt op 6 september zijn scooter aan b. Afgesproken wordt, dat A de scooter op 9 september aan B zal leveren. Uit de koopovereenkomst vloeien/vloeit voort:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

I Voldoening aan een natuurlijke verbintenis is een schenking.
II Een vorderingsrecht zonder rechtsvordering is een natuurlijke verbintenis.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

Van een eenzijdige rechtshandeling is sprake in geval van:
I het maken van een testament.
II ingebrekestelling.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

Henk schenkt aan Rudie een smartphone. Juridisch is dat een:
I rechtshandeling.
II obligatoire overeenkomst.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

Een onrechtmatige daad is een:
I feitelijke gedraging.
II eenzijdige rechtshandeling.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


18.

I Een verbintenis kan voortvloeien uit de wet of een rechtshandeling.
II Een natuurlijke verbintenis kan niet worden omgezet in een gewone verbintenis.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


19.

Wim belooft Kees een schuur te bouwen in zijn tuin voor 2000 Euro. Kees gaat met het voorstel van Wim akkoord. Wat is juist?
I Wim en Kees verrichten een rechtshandeling.
II Wim en Kees sluiten een overeenkomst.







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 7 - Goederenrecht

1.

Wat is geen bestanddeel?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

Welke stelling is juist?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

Het eigendomsrecht kan worden beperkt door:
I de Grondwet.
II regels van ongeschreven recht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

Alfons is een startende ondernemer. Om nieuwe investeringen te financieren sluit hij een geldlening bij de bank af. Bij gebrek aan andere zekerheden biedt Alfons zijn debiteurenbestand aan de bank als zekerheid aan, hetgeen de bank accepteert.
Welke stelling is juist?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

I De bruiklener van een boek kan aan een derde nooit het bezit daarvan verschaffen.
II Een houder van een zaak heeft nooit het bezit daarvan.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

Wat is juist?
Een recht van erfdienstbaarheid is een:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

I Als iemand failliet is gegaan, is hij beschikkingsonbevoegd geworden en kan hij aan hem toebehorende zaken dus niet meer verkopen.
II Degene die te goeder trouw en tegen betaling een roerende zaak verwerft van een beschikkingsonbevoegde, kan daarvan eigenaar worden.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

A heeft een weiland gepacht van X. Op het weiland heeft hij een manege gebouwd waarop hij een recht van opstal heeft verkregen.
Het recht van A is:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

A verkoopt zijn vordering op B aan c. C is:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

I De zakelijke overeenkomst is gericht op het ontstaan van de verbintenis tot levering.
II Een beschikkingsonbevoegde kan aan een derde nooit de eigendom van een zaak verschaffen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

Wat is juist?
Constitutum possessorium heeft betrekking op de situatie dat:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

I Cessie kan ook de overdracht van vorderingen aan toonder of order betreffen.
II Net als bij cessie gaat ook bij subrogatie de vordering van de oorspronkelijke schuldeiser over op een ander.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

Welk begrip hoort niet bij de eigendom thuis?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

I Een gesloten systeem van goederenrecht betekent dat op goederen alleen in de wet erkende rechten kunnen worden gevestigd.
II Voor de geldigheid van de overdracht van goederen geldt niet altijd een causaal stelsel.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

I Iemand die een gestolen zaak koopt kan daarvan volgens ons recht nimmer eigenaar worden.
II Iemand kan volgens ons recht nooit meer overdragen dan hij zelf heeft.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

Het recht van vruchtgebruik:
II s een absoluut vermogensrecht.
II kan alleen op een zaak rusten.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

I A is erfpachter van een stuk landbouwgrond. B heeft een hypotheek op A's erfpachtsrecht.
II X is vruchtgebruiker van een villa. Y heeft hypotheek op het recht van vruchtgebruik van X.
Wat is juist?
IB's hypotheek gaat teniet bij beëindiging van A's erfpachtsrecht.
IIY's hypotheek gaat teniet bij overlijden van X.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


18.

Als de fiets van A wordt gestolen en vervolgens binnen drie jaar te koop wordt aangeboden aan B dan:
I blijft A gedurende die tijd in alle gevallen eigenaar van de fiets.
II wordt B eigenaar van de fiets als hij deze te goeder trouw in een fietsenwinkel heeft gekocht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


19.

X leent een zeilboot van Y en maakt daarmee een zeiltocht. Nog tijdens de tocht belt X naar Y en vraagt hem of hij de boot mag kopen. Y stemt daarin toe. Y levert de boot aan X:







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 8 - Overeenkomstenrecht

1.

Aanbod en aanvaarding zijn ieder voor zich:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

Welke overeenkomst is zonder meer vernietigbaar wegens een wilsgebrek?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

I Een ingebrekestelling moet worden uitgebracht telkens als de debiteur in verzuim is.
II Een ingebrekestelling kan zowel schriftelijk als mondeling worden uitgebracht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

In welke geval heeft het zin een ingebrekestelling uit te brengen?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

Welke overeenkomst is niet wederkerig?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

Werkgever en werknemer maken de mondelinge afspraak dat de werknemer in loondienst komt tegen betaling van een "zwarte beloning".
Welke stelling is juist?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

I Voor de ontbinding van een wederkerige overeenkomst is tussenkomst van de rechter noodzakelijk.
II Ontbinding van een overeenkomst heeft soms terugwerkende kracht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

Koen komt met Paul overeen dat hij gedurende een jaar tegen betaling het recht krijgt op Pauls land te jagen op de otter. Koen en Paul weten niet dat de otter een beschermde diersoort is waarop niet mag worden gejaagd. Zes maanden na het sluiten van de overeenkomst wenst Koen de overeenkomst te ontbinden omdat hij nog steeds geen enkele otter gevangen heeft.
Welke stelling is juist?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

In een exoneratieclausule kan aansprakelijkheid worden uitgesloten voor:
I fouten van door de debiteur ingeschakeld personeel.
II wanprestatie van de debiteur.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

I Een onder invloed van een wilsgebrek verrichtte handeling is nietig.
II De wilsgebreken zijn geregeld in boek 3 BW.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

I Als in een overeenkomst de debiteur nalatig is met betaling van schadevergoeding kan de schuldeiser zonder ingebrekestelling nakoming vorderen.
II Als bij een overeenkomst nakoming blijvend onmogelijk is, heeft de schuldeiser de keuze uit ontbinding of een vordering tot schadevergoeding.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

Een koopovereenkomst:
I kan eenzijdig of meerzijdig zijn.
II moet voorzien in een prijs.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

Wat past niet in het rijtje?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

Wat is juist? Benoemde overeenkomsten:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

Exoneratieclausules kunnen worden bedongen door de debiteur terzake van tekortschieten in de overeenkomst door:
I de debiteur.
II leveranciers van de debiteur.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

Indien een winkelier aan de meerderjarige Jan een tweedehands Ipad heeft verkocht en geleverd die na drie weken onherstelbaar defect blijkt te zijn, kan Jan de winkelier in beginsel aansprakelijk stellen op grond van:
I art. 6:162 BW.
II art. 6:74 BW.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

I Voor de totstandkoming van overeenkomsten is vereist het verrichten van twee of meer rechtshandelingen.
II Consensuele overeenkomsten dienen tussen partijen in een onderhandse of authentieke akte te worden vastgelegd.







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 9 - Verbintenissen uit de wet

1.

I Voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is altijd vereist dat de onrechtmatige daad te wijten is aan schuld van de dader.
II Voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is altijd vereist dat de onrechtmatige daad conditio sine qua non is voor de schade.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

Wim is 15 jaar oud. Hij gooit een ruitje in bij de buren. Wie is/zijn in beginsel aansprakelijk voor de onrechtmatige daad van Wim?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

Welke stelling is juist?
Toewijzing van een vordering uit onrechtmatige daad is niet mogelijk:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

In welk geval is sprake van een verbintenis uit de wet?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

Piet maakt tegenover Kees een zodanig gebruik van zijn bevoegdheid als eigenaar dat Kees daardoor schade lijdt. Piet is voor die schade alleen aansprakelijk:
I als hij bij het gebruik van zijn bevoegdheid een redelijk belang had.
II als hij zijn eigen belang tegen dat van Kees niet heeft afgewogen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

I Bij een onrechtmatige daad van een werknemer heeft de benadeelde de keus uit twee rechtsvorderingen: één tegen de werkgever en één tegen de werknemer.
II De twee belangrijkste vereisten voor aansprakelijkheid van de werkgever voor een onrechtmatige daad van zijn werknemer zijn dat de werknemer ook zelf aansprakelijk is uit onrechtmatige daad en dat er causaal verband is tussen de daad en de schade.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

I Bij een vordering uit onrechtmatige daad kan men behalve schadevergoeding ook een gebod of een verbod met een dwangsom eisen.
II Zaakwaarneming kan zich ook voordoen als er een afspraak is gemaakt dat de een bij afwezigheid van de ander op diens huis zal letten.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

Indien A weigert om de schade, waarvoor hij op grond van een door hem gepleegde onrechtmatige daad blijkens een rechterlijke uitspraak aansprakelijk is, aan benadeelde B te vergoeden:
I dient B A in gebreke te stellen alvorens tot incasso over te gaan.
II is A, ongeacht de ingebrekestelling, toerekenbaar tekortgeschoten.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

D en E zijn buren. Tijdens de afwezigheid van D wegens verblijf in het buitenland zal E tegen een kleine vergoeding door D, een door D bestelde koelkast in ontvangst nemen. In deze relatie D - E is sprake van:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

I Het relativiteitsvereiste bij onrechtmatige daad houdt in dat een relatie tussen geschonden norm en geschonden belang niet mag ontbreken.
II De voorzienbaarheid en de redelijkheid zijn twee elementen bij de vaststelling van het causaal verband.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

Voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is vereist dat:
I er een relatie bestaat tussen de geschonden norm en het geschonden belang.
II dat de dader daar een verwijt van kan worden gemaakt.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

Fabrikant koopt Werknemer om teneinde vertrouwelijke informatie te verkrijgen over het met Fabrikant concurrerende bedrijf waar Werknemer werkt. Met behulp van die informatie kan Fabrikant klanten van het concurrerende bedrijf 'afsnoepen' door een order bij Fabrikant te doen plaatsen tegen een voor Fabrikant voordelige en gezien de marktverhoudingen te hoge prijs. Jegens het concurrerende bedrijf:
Ihandelt Fabrikant onrechtmatig;
IIpleegt Werknemer wanprestatie.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

I De nabootsing van een door een absoluut recht beschermd product is niet altijd onrechtmatig.
II Bij de beoordeling of nabootsing van een wettelijk onbeschermd product onrechtmatig is, hanteert de Hoge Raad als criterium of de nabootsing voor het publiek verwarrend kan werken.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

A heeft de muren van zijn huis beschilderd in afschuwelijk lelijke kleuren. Tijdens A's vakantie gaat buurman B het huis van A overschilderen in een fraaie tint, waardoor dat huis in waarde stijgt. Daarbij kon B schade aan de tuin van A helaas niet voorkomen.
I B heeft, als zaakwaarnemer, recht op vergoeding door A van de kosten van de gebruikte verf.
II A heeft recht op vergoeding door B van de schade aan de tuin.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

I Misbruik van bevoegdheid betreft alleen het gebruik van de eigendom met geen ander doel dan een ander te schaden.
II Degene die een bevoegdheid gebruikt is niet altijd verplicht tot een afweging van zijn eigen belang tegenover de belangen van een of meer anderen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 10 - Burgerlijk procesrecht

1.

Wat is niet een kenmerk van het kort geding?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

II n het arrest Alkmaar-Noord-Holland is beslist dat eiser niet-ontvankelijk is in de vordering als er een andere, deugdelijke rechtsgang is.
II Ingevolge het Schellen- en deuropeners-arrest is eiser bij de burgerlijke rechter in zijn vordering niet-ontvankelijk als de bestuursrechter bevoegd is daarvan kennis te nemen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

II n de procedure bij de kantonrechter geldt niet het beginsel van de verplichte procesvertegenwoordiging.
II In de procedure bij de kantonrechter kan eiser de dagvaarding zelf uitbrengen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

Wat hoort in het rijtje niet thuis?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

De rolrechter vraagt de advocaat van Bert om over vier weken een conclusie van repliek in te dienen. Welke stelling is juist?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

I Arbitrage is rechtspraak door anderen dan de overheidsrechter.
II Arbitrale rechtspraak kent geen verplichte procesvertegenwoordiging.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

I Een voordeel van de verplichte procesvertegenwoordiging is dat het civiele proces daardoor eerlijker verloopt.
II In belangrijke zaken is bij de kantonrechter procesvertegenwoordiging verplicht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

Wat is in het burgerlijk proces geen rechtsmiddel?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

I De lijdelijkheid van de burgerlijke rechter houdt in dat hij alleen op zoek mag gaan naar de materiële waarheid.
II De eis van schriftelijke procesvoering vloeit voort uit de lijdelijkheid van de rechter.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

II n het bewijsrecht geldt: wie stelt, moet bewijzen.
II In sommige gevallen is de gedaagde wettelijk verplicht tot het leveren van bewijs.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

Wat kan een vonnis niet inhouden?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

I Bij executoriaal beslag heeft de rechter al vonnis gewezen, bij conservatoir beslag nog niet.
II Revindicatoir beslag is een bijzondere vorm van executoriaal beslag.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

I Kenmerkend voor de verzoekschriftprocedure is dat deze beperkt is tot het personen- en familierecht.
II Als de burgerlijke rechter verstek heeft verleend, wijst hij de vordering van eiser toe, tenzij deze hem ongegrond of onrechtmatig voorkomt.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

Welk beginsel van burgerlijk proces is in het verbod van art. 12 Wet RO terug te vinden?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

Een vordering om tot een openbare school te worden toegelaten is:
Ivatbaar voor reële executie.
IIdoor middel van een dwangsom af te dwingen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 11 - Ondernemingsrecht

1.

I De eenmansvennootschap mist rechtspersoonlijkheid.
II De eenmanszaak moet bij notariële akte worden opgericht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

II ndien de statuten dat mogelijk maken, kunnen de aandelen in een BV vrij worden overgedragen.
II Een BV kan alleen toonderaandelen uitgeven.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

I De failliet wordt door het faillissement beschikkingsonbevoegd.
II Een faillissement wordt door de rechtbank uitgesproken in de vorm van een vonnis.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

I Een v.o.f. heeft een afgescheiden vermogen, een c. v. niet.
II Stille vennoten kunnen ook bij een v.o.f. voorkomen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

I Onder bijzondere omstandigheden kan een stichting leden hebben.
II Voor grote stichtingen is het hebben van een ondernemingsraad verplicht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

De algemene vergadering van aandeelhouders in een NV is niet bevoegd tot:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

I Voor sommige beslissingen heeft een ondernemer de instemming nodig van de ondernemingsraad.
II Leden van de ondernemingsraad kunnen nooit worden ontslagen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

Welke van onderstaande rechtsvormen heeft geen rechtspersoonlijkheid?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

I Een vereniging mag winst maken, een stichting niet.
II Verenigingen bezitten soms geen rechtspersoonlijkheid.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

Welk register wordt niet door de Kamer van Koophandel bijgehouden?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

I Alleen als de statuten dat bepalen heeft een vennootschap een raad van commissarissen.
II In een structuurvennootschap benoemen de commissarissen elkaar.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

Koos Wiersma is directeur/enig aandeelhouder van Wiersma BV. Koos geeft als enige direct leiding aan de 45 werknemers van de BV.
Welke stelling is juist?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

I Een coöperatie dient haar bedrijf ten behoeve van haar leden uit te oefenen.
II Een stichting kent slechts een zeer beperkt aantal leden.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

II n een bestaande BV wordt het bestuur benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders.
II In een bestaande NV wordt het bestuur benoemd door de raad van commissarissen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

Wat is juist?
Tot de oprichtingsvereisten van een NV/BV behoort niet:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

I Voor een NV geldt dat een Raad van Commissarissen verplicht is.
II Een belangrijke taak van de Raad van Commissarissen in een structuurvennootschap is de benoeming en het ontslag van bestuurders.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

De wettelijke regeling voor de BV verschilt van die voor de NV op het punt van:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


18.

De statuten van de NV en de BV kunnen:
I alleen door de a. v.a. worden gewijzigd.
II de bevoegdheid van het bestuur wel uitbreiden, maar niet beperken.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


19.

I Het aanvragen van een faillissement van een rechtspersoon kan slechts door het bestuur geschieden.
II Het faillissement wordt uitgesproken door de rechter-commissaris.







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 12 - Arbeidsrecht en sociaal zekerheidsrecht

1.

Hoe kan een arbeidsovereenkomst niet tot een einde komen?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

I Een concurrentiebeding kan alleen door een meerderjarige werknemer worden aangegaan.
II Een concurrentiebeding moet meestal schriftelijk worden aangegaan.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

Als gevolg van een reorganisatie wordt de 33-jarige Kees ontslagen met toestemming van het UWV. Kees geniet een weekloon en werkt sinds zijn achttiende bij dezelfde werkgever. Welke opzegtermijn moet de werkgever ten minste in acht nemen?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

Welke wet heeft geen betrekking op het collectief arbeidsrecht?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

I Voordat een kennelijk onredelijk ontslag wordt gegeven, moet daarvoor eerst toestemming worden gevraagd aan het UWV.
II Als iemand ten onrechte op staande voet is ontslagen, wordt de werkgever schadeplichtig.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

Met de uitvoering van de AOW is niet belast:
I het UWV.
II de belastingdienst.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

Welke wet bevat geen volksverzekering?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

I Ontslag op staande voet kan alleen vanwege een dringende reden worden gegeven.
II De werkgever mag een werknemer niet ontslaan tijdens ziekte van de werknemer.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

I Het belangrijkste verschil tussen de arbeidsovereenkomst en de overeenkomst van opdracht is dat bij de laatste geen loon wordt betaald.
II Een minderjarige werknemer kan een concurrentiebeding aangaan, mits dat schriftelijk geschiedt.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

I De vraag of er een gezagsverhouding is, vormt het belangrijkste verschil tussen een arbeidsovereenkomst en een overeenkomst van opdracht.
II De dringende redenen voor ontslag staan alle in de wet.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

Wat is juist? Bij een ontslag met wederzijds goedvinden:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

I De kantonrechter acht een ontslag in de regel kennelijk onredelijk als het op staande voet is gegeven zonder mededeling aan de werknemer van de reden voor het ontslag.
II De kantonrechter kan een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever of van de werknemer ontbinden.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

In welke van de volgende arbeidsverhoudingen kan er van een arbeidsovereenkomst worden gesproken?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

De werkgever heeft geen toestemming nodig van het UWV als hij een werknemer ontslaat:
I tijdens de proeftijd.
II op staande voet wegens een dringende reden.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

Obligatoire bepalingen in een cao bevatten:
I verplichtingen die gelden tussen cao-partijen.
II normen waaraan werknemers en werkgevers in de bedrijfstak moeten voldoen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

I De totstandkoming van een cao is een kwestie tussen de sociale partners. De overheid heeft daarmee geen bemoeienis.
II Een bij een vakorganisatie aangesloten werkgever moet de bepalingen uit een cao ook nakomen ten aanzien van werknemers die geen lid zijn van een vakbond.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

Niet betrokken bij de sociale zekerheid is:
I de Afdeling rechtspraak van de Raad van State.
II het UWV.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


18.

Opzegging van de arbeidsovereenkomst zonder inachtneming van de opzegtermijn leidt tot schadeplichtigheid indien die opzegging geschiedt door de:
I werknemer.
II werkgever.







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 13 - Strafrecht

1.

I Op grond van het legaliteitsbeginsel is de strafrechter bevoegd om zo nodig gewoonterecht toe te passen.
II Het verbod van terugwerkende kracht geldt niet voor verordeningen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

Wat is geen schulduitsluitingsgrond?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

I Voor de strafbaarheid van poging is onder meer vereist dat de dader met het misdrijf een begin van uitvoering heeft gemaakt.
II Alleen in bepaalde gevallen is poging tot overtreding strafbaar.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

I Degene die de bestanddelen van een delictsomschrijving heeft vervuld kan altijd worden gestraft.
II Schuld en wederrechtelijkheid zijn niet bij elk delict elementen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

Wat is niet een doelstelling van het opleggen van straf?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

I Rechtvaardigingsgronden zijn gericht op de niet-strafbaarheid van de dader.
II Overmacht is een strafuitsluitingsgrond.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

I Een voortvluchtige verdachte kan niet worden veroordeeld.
II Anonieme verdachten kunnen niet worden veroordeeld.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

I Strafbare rechtspersonen kunnen zich niet op een schulduitsluitingsgrond beroepen.
II Schuld die bewezen moet worden is een bestanddeel van de delictsomschrijving.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

Om de opvarenden te redden laat de dienstdoende stuurman de lekgeslagen rondvaartboot op een zandbank vastlopen. De stuurman is gedagvaard op basis van art. 168 Sr. Wat is juist?
IDe stuurman kan zich met succes beroepen op een rechtvaardigingsgrond.
IIDe wederrechtelijkheid ontbreekt.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

De bewaker van een museum die de inbrekers helpt door het alarm voor hen uit te schakelen is:
I dader;
II medeplichtige.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

Bakker Willemsen verkoopt melkbrood dat niet voldoet aan de krachtens de Warenwet gestelde eisen aan de samenstelling daarvan. Ter zitting voert Willemsen aan dat hij strafrechtelijk niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de samenstelling van het brood, nu het deeg wordt aangeleverd door een andere firma. Het verweer van Willemsen berust op:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

I De betaling van een schikking is geen straf.
II Vervangende hechtenis is een straf.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

I De strafbare poging en de strafbare voorbereiding betreffen beide onvoltooide delicten.
II Medeplichtigheid is een bijzondere vorm van medeplegen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

I Bij doen plegen en uitlokking is de eigenlijke uitvoerder van het feit niet strafbaar.
II Als de dader tijdens het begaan van een delict vrijwillig zijn handelingen staakt, is hij niet strafbaar.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

I Afwezigheid van alle schuld is een algemene, buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond.
II Overmacht is in de jurisprudentie als schulduitsluitingsgrond ontwikkeld.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

De chirurg die tegenover de rechter verklaart dat hij met zijn auto te hard heeft gereden omdat hij op weg was naar een spoedoperatie, heeft de grootste kans van succes als hij een beroep doet op:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

Wat past niet in het rijtje?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


18.

I Verandering van een strafrechtelijke bepaling in de wet, ingevoerd op een tijdstip nadat het feit is begaan, kan voor de verdachte geen enkele betekenis hebben.
II Het legaliteitsbeginsel vindt zijn bron in de jurisprudentie.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


19.

I Het vereiste van de wederrechtelijkheid dient in elke delictsomschrijving te zijn opgenomen.
II Voor het opleggen van een strafrechtelijke sanctie is vereist dat de dader willens en wetens een verboden gedraging heeft verricht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


20.

Overmacht kan in het strafrecht opleveren:
I een rechtvaardigingsgrond.
II een schulduitsluitingsgrond.







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 14 - Strafprocesrecht

1.

I Als een rechter de verdachte vrij spreekt, meent hij altijd dat de dagvaarding geldig is.
II Als een verdachte van alle rechtsvervolging wordt ontslagen betekent dit dat het feit niet strafbaar is.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

I De vermelding van een onjuist feit in de dagvaarding leidt tot nietigheid daarvan.
II Het niet opnemen van de pleegdatum in de dagvaarding door de Officier van Justitie leidt in het algemeen niet tot nietigheid van de dagvaarding.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

I Het gerechtelijk vooronderzoek wordt gematigd inquisitoir genoemd.
II In het strafproces staat het vinden van de formele waarheid centraal.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

Wat is in ons strafprocesrecht niet een dwangmiddel?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

IIn ons strafrechtelijk systeem heeft de rechter een grote vrijheid met betrekking tot het vaststellen van de strafmaat.
IIDe rechter houdt toezicht op de tenuitvoerlegging van de straf door het Openbaar Ministerie.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

II ndien ontslag van rechtsvervolging wordt opgelegd samen met TBS is er sprake van een schulduitsluitingsgrond.
II De officier van justitie heeft de leiding bij het gerechtelijk vooronderzoek.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

Wat is juist? Er is geen sprake van voorlopige hechtenis, indien:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

De rechter stelt vast dat het door de verdachte gepleegde feit berust op een strafbepaling die in strijd is met een wet van hogere orde.
Welke stelling is juist? De rechter:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

I Door het betalen van een schikking (transactie) vervalt voor het Openbaar Ministerie het recht tot strafvervolging.
II De officier van justitie is bevoegd om in bepaalde zaken zelfstandig een strafbaar feit te bestraffen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

I De eerste vraag die de rechter in elk strafproces moet beantwoorden is die betreffende zijn bevoegdheid.
II Als het Openbaar Ministerie de redelijke termijn van art. 6 EVRM heeft geschonden, wordt verdachte ontslagen van rechtsvervolging.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

I Natuurlijke personen boven de twaalf jaar en privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen strafrechtelijk worden vervolgd.
II Als in een bedrijf een werknemer een strafbaar feit begaat, kan hijzelf, de betreffende rechtspersoon en de feitelijk leidinggevende(n) van de rechtspersoon strafrechtelijk worden vervolgd.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

I Als iemand die wegens mishandeling terechtstaat (art. 300 Sr) met succes een beroep doet op afwezigheid van alle schuld, wordt hij vrijgesproken.
II Een succesvol beroep op noodweer leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

I Als de politie tijdens het opsporingsonderzoek illegale opsporingsmethoden heeft gebruikt, wordt de verdachte wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken.
II In cassatie beoordeelt de Hoge Raad de feiten van een strafzaak opnieuw.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

I Het opportuniteitsbeginsel biedt de rechter de mogelijkheid een strafvervolging voortijdig te beëindigen.
II Voor de inverzekeringstelling van een verdachte is de medewerking van een rechter niet vereist.







Antwoord goed.
Antwoord fout.




Ga terug

HOOFDSTUK 15 - Internationaal recht

1.

Een prejudiciële vraag op grond van art. 267 VwEU wordt voorgelegd aan:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


2.

I Op grond van het arrest Van Gend en Loos van het Europese Hof van Justitie kan de nationale rechter beslissen of een bepaling van Unierecht in zijn land directe werking heeft.
II In het Costa-Enel arrest heeft hetzelfde hof beslist dat lidstaten van de Europese Unie ten aanzien van de doorwerking van het Unierecht verplicht zijn een monistisch standpunt in te nemen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


3.

Over welk onderwerp kunnen de Raad van Ministers en de Europese Commissie geen beslissing nemen?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


4.

I De Raad van Europa heeft vooral op het terrein van de mensenrechten zijn diensten bewezen.
II Het Europese Hof voor de rechten van de mens beoordeelt bij elke klacht eerst of deze ontvankelijk is.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


5.

I Verdragen waarin Nederland partij is behoeven altijd goedkeuring van het parlement.
II Verdragen werken in Nederland pas na ratificatie en publikatie in het Tractatenblad.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


6.

II ndien een land is toegetreden tot een intergouvernementele organisatie wordt haar soevereiniteit daardoor beperkt.
II Als een land een dualistisch systeem heeft voor de doorwerking van internationale rechtsregels wordt haar soevereiniteit daardoor beperkt.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


7.

Het Europees Parlement:
I heeft een controlerende taak ten aanzien van de Commissie.
II vertegenwoordigt de inwoners van de lidstaten.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


8.

Het Europese Hof voor de rechten van de mens:
I beslecht uitsluitend geschillen van burgers.
II is in vertrouwelijkheid beschikbaar voor het treffen van een minnelijke schikking tussen partijen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


9.

Welk orgaan van de Europese Unie bezit gedelegeerde wetgevende bevoegdheid?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


10.

II n geval van twijfel is elke nationale rechter verplicht prejudiciële vragen omtrent Unierecht aan het Hof van Justitie voor te leggen.
II Het voorleggen van een prejudiciële vraag leidt tot een onderbreking van de nationale procedure.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


11.

Welk orgaan bezit wetgevende bevoegdheid?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


12.

I Het Europees parlement is medewetgever binnen de Europese Unie.
II Alleen verordeningen van de Europese Unie hebben voorrang boven de nationale regelgeving van de lidstaten van de Europese Unie.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


13.

II n zaken van het Unierecht beslist het Hof van Justitie (en niet de Nederlandse rechter) of een verdragsbepaling naar zijn inhoud een ieder kan verbinden.
II Geen enkele nationale rechter is volgens het VwEU-verdrag verplicht om een prejudiciële vraag betreffende een regel van Unierecht voor te leggen aan het Hof van Justitie.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


14.

I Verordeningen van de Europese Unie zijn in Nederland algemeen verbindende voorschriften.
II Beschikkingen van de Europese Unie richten zich alleen tot de lidstaten.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


15.

II n het arrest Costa-Enel is beslist dat de Europese Unie een eigen rechtsorde heeft.
II In het arrest Van Gend en Loos is beslist dat uitsluitend de Hoge Raad mag beslissen over de directe werking van regels van Unierecht.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


16.

I Verdragen tussen staten zijn steeds bilateraal.
II Het volkenrecht betreft de relatie tussen staten en hun onderdanen.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


17.

Wat is juist? De belangrijkste rechtsbron van het volkenrecht wordt gevonden in:







Antwoord goed.
Antwoord fout.


18.

Een voorbeeld van een intergouvernementele internationale organisatie is:
I De Verenigde Naties.
II De Raad van Europa.







Antwoord goed.
Antwoord fout.


19.

Welke bewering is juist met betrekking tot de instellingen van de Europese Unie?







Antwoord goed.
Antwoord fout.


Uitslag

Hieronder vind je uitslag van de ingediende vragen zoals ze in eerste instantie zijn ingevuld:

Correct ingevulde antwoorden: 0
Incorrect ingevulde antwoorden: 0